“Beste allemaal, dit is de eerste keer dat ik zo’n interactieve lezing geef, dus alles kan misgaan”, grapt Marc Josten voorafgaand aan de lezing. Marc Josten, hoofdredacteur van HUMAN, trapt de reeks expertlezingen in Beeld en Geluid af met een lezing over mediahypes. Aan de hand van beeld en geluid vertelt Josten hoe media invloed hebben op de publieke opinie.

Het is bijna half vier en de bezoekers van de lezing nemen plaats in het theater van Beeld en Geluid. Op een paar stellen van middelbare leeftijd na, zijn veel van de bezoekers tussen de 18 en de 30 jaar. De zaal is ingericht met een oplopende tribune, waar de bezoekers plaatsnemen op de rode, stoffen banken. De muren en het plafond zijn voorzien van ruitvormige verlichting. De verlichting past haar kleur aan op de beelden die worden getoond op het scherm.

Voordat Marc Josten aan zijn lezing begint komt Arjen Pas, programmamaker voor Beeld en Geluid, aan het woord. “Marc Josten werkt als onderzoeksjournalist en is de hoofdredacteur van omroep HUMAN. Hij zal vandaag een lezing geven aan de hand van beeld en geluid, in het thema van de locatie waar we ons nu bevinden”, zegt Pas met een knipoog. Pas vertelt vervolgens over zijn betrokkenheid bij de Nieuws of Nonsens tentoonstelling, en vraagt ten slotte om een hard applaus voor Marc Josten. Onder luid applaus betreedt Josten het podium.

Josten begint over zijn favoriete boek: “Public Opinion” van Walter Lippmann. “In het boek stelt Lippmann de volgende vraag: ‘Hoe belangrijk is het om de rivieren met feiten zuiver te houden?’ Lippmann vertelt in zijn boek over een pseudo werkelijkheid die wij creëren.”. Terwijl Josten dit vertelt kijken de meesten in het publiek nog vaag voor zich uit. “Ik zal jullie mijn favoriete citaat uit het boek voorlezen: ‘Zonder enige vorm van censuur is propaganda in de strikte zin van het woord onmogelijk. Om een ​​propaganda uit te voeren moet er een barrière zijn tussen het publiek en de gebeurtenis. Toegang tot de echte omgeving moet beperkt zijn, voordat iemand een pseudo-omgeving kan creëren die hij verstandig of wenselijk acht.’”

Josten laat aan de hand van voorbeelden zien wat deze pseudo werkelijkheid in de media in Nederland de afgelopen jaren heeft gedaan. Zijn eerste voorbeeld is Johannes de bultrug. De bultrug, die strandde op Texel in 2012, maakte veel los onder de Nederlandse bevolking. Het gaat om een fenomeen genaamd antropoformisme: je geeft het dier een naam, en iedereen hecht zich eraan. Volgens experts was Johannes niet meer te redden op de zandbank, waarna hij werd ingeslapen. Dit schoot bij veel mensen in het verkeerde keelgat, en er ontstond een massale terugslag. De inwoners van Texel organiseerden een stille tocht ter nagedachtenis van Johannes de bultrug.

Het tweede voorbeeld dat Josten geeft is de moord op Marianne Vaatstra in mei 1999. Volgens veel betrokkenen kwam de dader uit het nabij gelegen asielzoekerscentrum, waarna alle ogen op deze theorie werden gericht. Politie, media en burgers gaven massaal aandacht aan de mogelijke theorie dat de moordenaar een asielzoeker was. “Een keel doorsnijden, dat is iets wat een Fries niet doet”, verklaarde Pim Fortuyn in zijn column over de moord op Vaatstra. Er was nog geen sprake van harde feiten, maar toch nam dit verhaal de overhand in de media.

Het laatste voorbeeld dat Josten geeft is Project X Haren. Een 16-jarig Harens meisje wilde haar verjaardag vieren, maar zette de uitnodiging per ongeluk openbaar op Facebook. Het gevolg was dat duizenden mensen met slechte bedoelingen naar Haren kwamen. Journalisten kwamen massaal op Haren af, en door de media-aandacht ontstond er nog meer publiciteit voor Project X Haren.

“Wat ik wil zeggen met deze voorbeelden, is dat de media een erg grote rol spelen in het bepalen wat wij als consumenten zien. Is de media verantwoordelijk voor de reacties van het volk? Wat doen wij er zelf aan om zo kritisch mogelijk naar nieuws te kijken?” Met deze vragen sluit Marc Josten zijn lezing af.