Kapstokken verdwijnen onder vele jassen en er staat een lange rij voor het toilet, want straks kan het niet meer. “Mogen we al naar binnen mama?”, klinkt het vanuit meerdere hoeken in de foyer. Kinderen met ouders, opa’s en oma’s staan te trappelen om de zaal in te gaan en te genieten van de voorstelling. De zaaldeuren van Theater Santbergen gaan open en langzaam loopt de foyer leeg. Gisteren, 21 januari, voerde de Hilversumse Theatergroep Fusie het stuk “Repelsteel” op.

De lichten dimmen en het publiek zwijgt op een enkeling na, die het in het donker toch wat spannender vindt. Op het toneel verschijnt de koninklijke omroeper Thea van Tellero en ze neemt de zaal mee naar het dorpsplein van het plaatsje Knutselberg. Hier staan twee marktvrouwen. De één verkoopt groente en de ander brood. Monden vallen open op de eerste rij in het publiek, als er plots een bruin en wollig figuur aan loopt. Nadat de drie achter de brood- en groentekramen vandaan durven komen, stelt de beer hen gerust: “Rustig maar, ik weet dat er in dit sprookje meestal geen beer voorkomt, maar ik dacht: we doen eens gek.” Een jongetje uit het publiek ziet dwars door de grote bruine ogen heen en roept: “Dat is een neppe beer, want beren praten niet!”, waarna de vrouw bij wie hij op schoot zit hem even aankijkt en haar hoofd schudt.

In lange met dierenprint bedekte gewaden en hun neuzen in de lucht, lopen Waldemar en Wilhemina Wonderbaar, koning en koningin-moeder, het dorpsplein op, op zoek naar een geschikte vrouw voor de Waldemar. De marktvrouwen kijken de kroonprins met vragende ogen aan. Zijn ogen zijn gevallen op de groentevrouw. Maar er zit een voorwaarde aan om met de koning te mogen trouwen. Het meisje moet namelijk beschikken over een speciaal talent. Taarten bakken, hetgeen de groentevrouw goed zegt te kunnen, is volgens de koningin-moeder niet speciaal genoeg. Dan ziet hij de bakkersvrouw. “Die will ik, die wil ik mam!”, roept Waldemar gevolgd. Maar ook broodbakken is niet speciaal genoeg volgens zijn moeder.  Moeder Gans en haar dochter Lodewieke lopen het dorpsplein op. Als moeder Gans na een korte uitleg begrijpt wat de koning en zijn moeder komen doen, duwt ze haar dochter naar voren: “Lodewieke kan van stro goud spinnen”, zegt ze met een trotse nasale stem. De mond van haar dochter valt open en haar ogen worden groot. “Die wil ik mam!”, roept de prins en aan de grijns op zijn moeders gezicht te zien, is hij niet de enige.

De lichten dimmen en er klinkt muziek, de spelers toveren het dorpsplein om in het paleis waar Waldemar en zijn Lodewieke op hun troon zitten. Koningin-moeder loopt het toneel op en vertelt haar schoondochter dat het tijd is haar talent in te zetten: “De laatste jaren hebben wij als koningshuis de financiën niet goed bijgehouden. Aan jou de taak stro in goud te veranderen en ons uit de schulden te halen. Of wil je liever de gevangenis in?” “Ik wil de gevangenis niet in, maar ik weet niet hoe ik het moet doen!”, een meisje uit het publiek kent het verhaal al en roept: “Repelsteeltje!”

Onder luide muziek en dansende spelers, verandert het paleis in een groot donker bos. Repelsteeltje is door zijn moeder het huis uitgezet en mag pas terugkomen als hij iets kostbaars gevangen heeft. In het bos komt hij de beer tegen, die hem vertelt over een magische tas: “In deze tas zit een fluit, blaas hierop en je kunt alles krijgen wat je wilt.” Repelsteel zet zijn lippen aan de fluit en blaast. Fladderend over het toneel verschijnt een blonde dame met een wit kapje. Ze noemt zichzelf een Zeeuws Elfje. “Goeiemerrege”, zegt ze. De elf vertelt dat zij verschijnt als hij op de fluit blaast en dat hij vervolgens iets mag wensen. Waar de kinderen in het publiek lachen om haar Zeeuwse accent, lachen de ouders vooral om het schort dat ze aan heeft, want de groentevrouw droeg hetzelfde schort eerder in de voorstelling.

Terug in het paleis ijsbeert Lodewieke traag heen en weer. Poef. Opeens staat daar Repelsteeltje bij haar in de kamer. Eenmaal bekomen van de schrik vraagt ze zijn naam. In tegenstelling tot heel wat kinderen in het publiek, geeft hij geen antwoord. Wel zegt hij dat hij haar kan helpen, maar dat daar iets tegenover moet staan. Twee keer gaat ze akkoord met zijn voorstel. Ze ruilt een lamp en een ketting en krijgt hier twee blokken goud voor terug. Ze mag niet zien hoe hij het stro in goud verandert, dus stopt ze haar vingers in haar oren en sluit ze haar ogen. Hoe vaker het groene mannetje de fluit gebruikt, hoe minder dartelend het elfje opkomt. De gezichtsuitdrukking van de elf wekt hard gelach op in het publiek. De schuld van het koningshuis is met twee blokken goud niet afbetaald en de koningin-moeder zet haar inmiddels zwangere schoondochter nog meer onder druk.

Het nieuws van de zwangerschap is de moeder van Repelsteel niet ontgaan. Ze stuurt haar zoon eropuit om de baby van het koningspaar te ontvoeren. Een meisje op de voorste rij vindt het geschreeuw van zijn moeder wel mooi geweest: “Ik vind dit niet leuk, zij maken alleen maar ruzie!” Even verschijnt er een grijns op Repelsteels ernstige gezicht.

“Ik help je nog één laatste keer, als jij mij jouw baby geeft”, zegt het mannetje tegen de inmiddels bevallen koningin. “Nee! Dat kan ik niet!”, roept ze. “Oké, oké ik help je een beetje. Als jij binnen een week mijn naam raadt, mag je je dochter houden.” Ze gaat akkoord: “Pieter, Kees, Willem?”, begint Lodewieke. Lachend schudt het groene mannetje zijn hoofd. Helaas komen de tips uit het publiek niet aan bij de koningin. Repelsteel vertrekt naar zijn moeder en vertelt over de afspraak. “Niemand weet, niemand weet dat ik Repelsteeltje heet!”, zingt hij, gevolgd door de oorverdovende lach van zijn moeder. Wat zij niet doorhebben, is dat de bruine beer hen achter een boom afluistert.

Na een week wachten komt het mannetje op bezoek bij Lodewieke. Ook de bruine beer is erbij. “Je gaat nooit raden hoe ik heet, dus geef me die baby”, zegt Repelsteel. Op dat moment fluistert de beer iets in Lodewieke’s oor, waarop ze roept: “Repelsteel, je heet Repelsteel!”

De lichten gaan aan en er draait muziek. Na drie diepe buigingen nodigen de spelers de kinderen uit om te dansen. Ineens is die bruine beer zo eng niet meer.