Het is 19:30 uur en de kerk zit aardig vol. Zeker de helft van de oude houten banken van de St. Vituskerk is gevuld met mensen. Iedereen luistert aandachtig naar de kalme stem van pastoor J. Dresmé die door de ruimte galmt. “Net als de geboorte van een kind, is ook de dood een wonder.” Vanavond zal Allerzielen worden gevierd, de dag na Allerheiligen waarop gelovigen speciaal bidden voor alle zielen die nog niet in de hemel zijn, maar zich in het vagevuur bevinden. Elk jaar wordt er op deze tweede dag van november een requiemmis opgedragen. Dit is een katholieke eredienst voor de doden.

Aan pastoor Dresmé de eer om deze mis te leiden. Hij wijst naar een witte tafel voor het altaar, waar rijen met grote rode kaarsen op staan. “Deze lichtjes staan symbool voor alle vlammen die al gedoofd zijn. Het is een symbool voor al onze geliefden die heen zijn gegaan,” vertelt de pastoor. Mensen blijven binnenkomen, ze pakken boekjes bij de ingang die zorgvuldig zijn uitgespreid over een tafel, lopen naar voren tussen de banken en nemen plaats naast andere aanwezigen. “Mogen we voortgaan en sterven in het wonder van het nieuwe leven,” gaat Pastoor Dresmé verder.

Om kwart voor acht wordt een gebed ingezet. Pastoor Dresmé somt een lijst namen op van dierbare overledenen en vraagt of de kerkgangers hen willen gedenken in hun gebed. “Dit gebed is echter niet alleen voor hen,” vertelt de pastoor. “We weiden het aan alle gestorvenen. Ook de doden die we zijn vergeten, want God zal niemand vergeten.” Het kerkkoor begint zachtjes te zingen: “We bidden voor mensen die eenzaam zijn, of geen toekomst meer zien en we hopen met elkaar, dat God hun leven in een nieuw licht zal zetten.” De zang stopt, er valt een moment stilte om te bidden. Mensen vouwen hun handen en sluiten hun ogen. Een minuut lang kan je in de kerk een speld horen vallen. Na het gebed zingt het koor verder. Pastoor Dresmé loopt schuddend met een wijwaterkwast rond de witte tafel; de wierook daalt neer op de kaarsen. Hierna volgt een gezamenlijk gebed. Iedereen staat op en bid hardop mee.

Terwijl de pastoor bidt om de gaven van het brood en de wijn, komen twee dames langs voor de collecte. Dit is een manier voor kerkgangers om aan te geven dat ze zich verenigen met het offer van Jezus en een concreet aandeel hebben in wat zich op het altaar voltrekt.

“Wens elkaar de vrede toe” zegt pastoor Dresmé. Onbekend met elkaar nemen mensen de tijd om zich om te draaien in de houten banken en vriendelijk te lachen terwijl ze elkaar de hand schudden. Een oude man achter in de kerk is niet in staat naar voren te lopen. Verschillende kerkgangers lopen naar achteren om ook deze man vrede toe te wensen.

Het koor begint weer te zingen. Ditmaal lopen twee jongens met hoge kaarsen door het gangpad tussen de banken. Ondertussen wordt er een rij gevormd, Pastoor Dresmé deelt hosties uit.

De pastoor sluit de avond: “Ik wil iedereen sterkte wensen, met de geliefden die zijn heengegaan. Weet dat de liefde sterker is dan de dood en dat die liefde je ook de kracht zal geven om los te laten.”

Om halfnegen wordt “U zij de glorie” nog gezongen. Hierna verlaten mensen langzaam de kerk. Sommige kerkgangers lopen na de dienst naar voren om de aangestoken kaarsen voor hun geliefden op te halen. De meeste aanwezigen begeven zich echter richting de uitgang. “Het is elk jaar weer even mooi, hè?” fluistert een vrouw haar man toe. Hij knikt.