HILVERSUM - Wietse van der Velde, pastoor van de Oud-katholieke gemeenschap aan het Melkpad, stopt als pastoor in Hilversum. “Ik ga met pensioen begin dit jaar. Ik blijf wel actief in de kerk, alleen dan in het hoge noorden. Ik ga zorgen voor de Oud-katholieke gemeenschap in Friesland. Hiervoor was ik in Den Haag pastoor, daarvoor in Rotterdam en daarvoor in Amersfoort.” Van der Velde vertelt wat het geloof voor hem betekent en legt uit hoe het is om Oud-katholiek te zijn.

“Oud-katholieken zijn een kleine gemeenschap met 5.000 gelovigen verspreid over een 30-tal gemeenten.  Van oudsher in het westen van Nederland. Hilversum was altijd al een belangrijk centrum. Oorspronkelijk in de steden, maar sinds het midden van de twintigste eeuw zijn er ook in andere delen van het land Oud-katholieken gaan wonen. Wat je ziet is dat er ook mensen toe treden. Ontkerkelijking houdt bij onze deur ook niet op, maar er treden ook zeker mensen toe vanuit de katholieke kerk of de protestantse kerk.

“Wij moeten tegenwoordig op een andere manier zorgen dat onze parochianen bij ons blijven. Vroeger woonden alle parochianen hier in de buurt. Ik heb er al eens een studie van gemaakt. Je kunt zien dat hier een concentratie was van Oud-katholieken. Dat is in de loop van de twintigste eeuw erg veranderd, omdat het hele sociale plaatje van ‘t Gooi veranderd is. De kerk is gebouwd omdat de oude kerk moest wijken voor het spoor. Dit was nog in een boerderij, want de Katholieke eredienst was in Nederland verboden. Ik heb parochianen die in Huizen en Vreeland wonen. Dat geeft een beetje de spreiding aan. Waar we vroeger gewoon allerlei activiteiten organiseerde, moet je nu echt na denken voor wie je het organiseert. Iemand uit Huizen komt niet voor een gezamenlijke dienst met de Rooms Katholieke en Protestantse gemeenschap.”

“De naam is wat verwarrend. Mensen denken vaak dat wij erg behoudend zijn en dat wij de kerk zo hebben ingericht zoals hij oorspronkelijk was. Dit is deels waar, wij zijn ook erg vernieuwend. Wij kennen vrouwelijke priesters, dit heeft een jaar of vijftien geduurd. Het was een logische voortzetting, wij willen ons oriënteren op de kerk van de eerste eeuwen. Dit betekent niet dat we die blind gaan kopiëren. Christenen uit die tijd zouden vreemd opkijken van ons geloof. We zijn trouw gebleven aan ons uitgangspunt en toch willen we op deze manier een kerk zijn in de eenentwintigste eeuw. Het is typisch voor de Oud-katholieke kerk dat we samenwerken met de bisschoppen en de priesters. Ik zeg altijd als de Paus hier op bezoek zou komen, dan ga ik naar de voordeur en haal ik hem met wierrook en het processiekruis op en zet ik hem op de voorste stoel. Aan het eind van de dienst vraag ik hem dan: ‘Heeft u nog een opwekkend woord voor ons, maar bemoeit u zich niet met onze interne aangelegenheden.’”

“Biechten gebeurt steeds minder terwijl ik juist heb ervaren dat het voor sommigen zou kunnen helpen. Het is heel goed dat de mensen iets kunnen uitspreken en dat je ook samen kunt bidden. Mensen die aan een kerkgemeenschap zijn verbonden, doen twee keer zoveel aan sociale activiteiten. Mijn generatie heeft in de jaren zestig, toen de vrijheidsgedachten op kwamen, die toen nog machtige instituten in de ban gedaan. Ik begrijp dat mensen het als een bevrijding zagen. Er zijn mensen die zeggen: ‘Sommige mensen die worden religieus geboren en anderen niet.’”

“De kerk heeft in de jaren vijftig (1958) voor een deel in brand gestaan. Dit kwam door de verwarming die nog op kolen ging. Het hout is toen gaan smeulen onder het koor en een taxichauffeur die over het Melkpad reed, zag rook uit de kerk komen. Het hele koor is toen uitgebrand, waarna het iets soberder is teruggebouwd. Bij die brand is nog een schilderij, dat in het midden hing, verloren gegaan. Het Mariabeeld is erg bijzonder. Dat komt namelijk uit de late middeleeuwen, maar die is ook op bepaalde delen zwartgeblakerd. In de bibliotheek zijn de boeken die vooral uit de zestiende eeuw komen ook beschadigd, maar alleen aan de leren banden, de pagina’s zijn verder punt gaaf. Je ruikt het nog steeds na meer dan vijftig jaar.”