Het is zondagochtend. De lucht is grauw en het begint net te regenen. Het kleine halletje van Theaterzaal 2 in museum Beeld en Geluid vult zich met steeds meer mensen. De natte jassen worden opgehangen aan een kapstok en de handen worden opgewarmd aan een gratis kopje koffie of thee. Vervolgens baant iedereen zijn weg naar de zaal. Daar staat mediahistoricus Liselotte Doeswijk al klaar. Zij geeft vandaag een lezing over de Larense kunstenaar en de eerste televisie-decorontwerper Peter Zwart (1911-2000).

Het is koud in de zaal. Sommige bezoekers houden hun jas aan, en veel dames slaan hun sjaals om hun schouders. De muren en het plafond van de zaal worden bedekt door gekleurde lampen, die de zaal verlichten in alle kleuren van de regenboog. De vooral oudere bezoekers, nemen plaats op de rijen stoelen die voor een beamer zijn opgesteld. De lichten worden gedimd, het gaat beginnen.

Een korte introductie volgt waarbij Liselotte Doeswijk vertelt over haar onderzoek. Met behulp van bekenden, familieleden, experts en de uitgebreide collectie van Peter Zwart die Beeld en Geluid beheert, is zij instaat geweest om deze lezing voor te bereiden. Vervolgens verschijnt er een afbeelding op het scherm: ‘Never let the facts kill a good story’ – Pieter Willem Zwart (1911-2000).  “Wie heeft hem allemaal persoonlijk gekend?”, vraagt Liselotte Doeswijk aan de bezoekers. Vier handen schieten de lucht in. “Dan hebben jullie al een behoorlijk streepje op mij voor, want Peter Zwart was een enorme verhalenverteller en ik heb niet alles wat hij zei kunnen controleren.” Er ontstaat een gelach in de zaal en de vier mensen, die eerder hun handen in de lucht handen gestoken, knikken instemmend.

In het kort wordt verteld over Peter Zwart zijn jeugd. Dat hij is geboren in Schoten en hoe hij studeerde aan de grafische school, het instituut voor tekenleraren en vervolgens aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zwart beweerde zelf ook geneeskunde te hebben gestudeerd, maar zou dit voortijdig hebben afgebroken. Doeswijk legt uit dat ze dat niet compleet heeft kunnen controleren. “Hoewel ik geen reden heb om ervan uit te gaan dat het niet waar is.”

Zwart maakte daarna diverse lange reizen naar onder andere Afrika en Italië en volgde lessen bij de beeldend kunstenaar Aristide Maillol in Frankrijk, waarna hij zich in 1935 in Blaricum en later in Laren vestigde. Er zijn geen foto’s van hoe zijn atelier er in die tijd uit heeft gezien, dus op het scherm komt een afbeelding langs van het ‘huisje van Mondriaan’ in Laren, wat daar enkele huizen naast lag. “Maar stelt u zich een verbouwd kippenhok voor”, legt Doeswijk uit, in een poging het atelier te beschrijven. Het publiek begint te lachen.

Na de oorlog gaat Zwart, naast zijn werk als zelfstandig tekenaar, tekenleraar en beeldhouwer, om bij te verdienen aan het werk bij Joop Geesink’s Dollywood. Daar werkt hij aan zijn eerste decors, maar dan voor poppenfilms. Bij toeval ontmoet hij in 1951 toekomstig tv-regisseur Willy van Hemert. Van Hemert is onder de indruk van Zwart zijn werk en, zoals Doeswijk het beschrijft, zijn ‘aanpakkersmentaliteit’ en zo komt Zwart uiteindelijk als decorontwerper bij de eerste televisie-uitzending van de VARA terecht. Zijn eerste opdracht: maak een decor voor een kort filmpje die als openingsbeeld voor de VARA gebruikt kan worden. Een foto van een haan op een windwijzer verschijnt op het scherm. In plaats van de windstreken spelt de windwijzer ‘VARA’.

“’Het is duur en het is tijdverspilling’, zo dacht Zwart eerst over televisie”, vertelt Doeswijk. Maar ondanks zijn twijfels, waarin hij werd bijgestaan door vele andere kunstenaars, werd Zwart toch overgehaald om in 1952 een contract aan te nemen als Hoofd decorafdeling en decorontwerper bij de NTS. Daarnaast werd één van Zwart zijn schilderijen via de televisie verkocht, waardoor hij langzaam veranderde in een echte BN’er. “Misschien zag hij toen dat televisie ook een venster kan zijn op de kunst en de wereld,” speculeert Doeswijk.

In de jaren hierna ging de televisie als een sneltrein vooruit. Door de toenemende werkdruk worden de afdelingen ‘decorontwerp’ en ‘decor uitvoering’ gescheiden en worden uiteenlopende decorbouwers, grafisch ontwerpers, beeldhouwers en kunstenaars aangenomen om de decor industrie te verbeteren. Maar altijd met Peter Zwart als hoofd. Het scheiden van de afdelingen ontwerp en uitvoering is een keuze geweest waar Zwart, zo blijkt uit een interview uit de jaren ’90, achteraf enorm spijt van heeft gehad. Maar waarom dit zo was werd in het interview niet duidelijk. “En we kunnen het hem niet meer vragen,” zegt Doeswijk. Er wordt treurig nee geschud door de bezoekers.

In 1960 verhuisd Zwart voor het laatst, dit keer naar Hilversum. Een afbeelding verschijnt van een grijsharige Peter Zwart aan een bureau. “Ja, dit is Zwart! Zo ken ik hem”, roept een man in het publiek. Naast zijn carrière als decorbouwer, is Zwart na 1960 nog betrokken bij experimenten met kleurencamera’s. Zwart krijgt internationaal veel erkenning voor deze onderzoeken en ontvangt daarnaast een Koninklijke onderscheiding.

Tijdens zijn carrière bouwde Peter Zwart talloze decors voor de televisie. Verschillende foto’s van hemzelf, zijn werkplaatsen, zijn studio’s en zijn werken komen langs om de presentatie die Liselotte Doeswijk geeft te ondersteunen, die zijn decors als “romantisch”, “rommelig” en “surrealistisch” beschrijft. Tegen zijn pensioen was Zwart slechts nog ontwerper en tekenaar en in 1977 nam hij definitief afscheid van de NTS. Daarna gaf Zwart nog enkele jaren les aan de Rijksacademie en in 1987 maakt hij een verzetsmonument die tot op de dag van vandaag te bewonderen is in Eemnes.