Een nieuw jaar is aangebroken: 2020. Voor velen gaat de maand januari hand in hand met het maken van goede voornemens. Goede voornemens die, gemiddeld genomen, op 5 januari wel weer zo’n beetje overboord gelazerd zijn. De NS slaagt er evenmin in hun vertragingen beperkt te houden, als wij onze alcoholconsumptie. En dat stoppen met roken? Dat doen we volgend jaar wel.

We bevinden ons in de grootste klimaatcrisis uit de geschiedenis van de mensheid. Nooit eerder is het voorgekomen dat er in zo’n korte tijd, zoveel verknald is aan “onze” planeet. Wij mensen zijn hier de oorzaak van. In plaats van gehoor te geven aan klimaatsceptici als Baudet en Trump, wordt er eindelijk gepoogd het probleem aan te pakken. Het kabinet gooit rigoureus de snelheid op snelwegen omlaag van 130 naar 100 kilometer per uur. Tegelijkertijd staat datzelfde kabinet toe dat de bouwsector op volle toeren doordraait in 2020, omdat we ons nu met zijn allen zo lekker aan de snelheid gaan houden. Het is dweilen met de kraan open. Er wordt geen concrete oplossing bedacht zonder deze vervolgens te compenseren met méér stikstofuitstoot. Er is geen ruimte meer voor het ontkennen van feiten. Weg met lapmiddelen. Het is tijd voor radicale oplossingen.

Het openbaar vervoer kan één van die oplossingen bieden. Sinds 2017 rijden alle elektrische reizigerstreinen op groene stroom. Vanaf 2030 moet al het busvervoer in Nederland emissievrij zijn, zo besloot het kabinet met de ondertekening van “Het  Bestuursakkoord Zero Emissie Regionaal Openbaar Vervoer per Bus” in april 2016. De overheid lijkt het gebruik van openbaar vervoer te stimuleren met dergelijke besluiten.

Ik verbaas me er daarom mateloos over dat wanneer ik — een veramsterdamde twintiger die langer dan vijf minuten op een tram wachten “bullshit” vindt — mijn bus vanaf de Meent weg zie rijden en een uur moet wachten op de volgende. “Een uur wachten op klaarlichte dag!?,” floept er al vloekend uit. De lucht ziet er grijs en onheilspellend uit. Niet veel later, wanneer de regen inmiddels met bakken uit de hemel komt vallen, vraag ik me af of dit een soort flauwe grap is. Ik steek met natgeregend haar en een verveeld hoofd mijn vijfde sigaret aan met de vorige. Toch nog maar een keer de reisplanner checken. Conclusie: het is nog steeds geen grap. Hoe is het mogelijk dat de busverbindingen binnen Hilversum zo beroerd zijn?

Het is misschien nog te verklaren dat het vergeten kindje van Hilversum, de Meent, slecht verbonden is met de mediastad. Echter is het niet alleen de Meent waar het probleem zich voordoet. Het Gooise dorp met stadsrechten telt maar liefst drie treinstations met regelmatige treinverbindingen, maar de busverbindingen binnen het centrum zijn slechter geregeld dan de petitie tegen de bomenkap bij Anna’s Hoeve. 

Het feit dat er geen nachttreinen rijden vanaf stations in Hilversum is niet zo enorm verwonderlijk. Hilversum ligt wel tussen Amsterdam en Utrecht, maar het is onlogisch via Hilversum te reizen. Het is nu eenmaal niet de snelste verbinding tussen de twee steden. Daarentegen wel opvallend is dat op doordeweekse avonden, vanaf acht voor acht, slechts één keer per uur bussen van de Gijsbrecht van Amstelstraat naar het station van Hilversum rijden. Kortom, Hilversum is voor een blauwbekkende koukleum als ikzelf dramatisch slecht verbonden. In de praktijk is het meer een uitzondering op de regel dat je daadwerkelijk gebruik kunt maken van CO2-besparend openbaar vervoer, dat minder dan een uur op zich laat wachten. 

Na een half jaar nieuws vergaren in Hilversum durf ik te concluderen dat, wanneer je niet in het bezit bent van een fiets, je als arme student zonder auto toch vaker aan bent gewezen op de benenwagen dan op openbaar vervoer. Want een Uber nemen van de Gijsbrecht van Amstelstraat naar het station is wel erg decadent millennial-gedrag, vind je niet?