Vorig jaar staakte veel leraren in Hilversum. Theo oosterhagen (48), decaan en docent maatschappijleer op De Savornin Lohmanschool deed hier niet aan mee, hij vertelt.

“Ik ben begonnen met lesgeven op het basisonderwijs. Dat ik dit wilde gaan doen wist ik al van jongs af aan. In groep 3 voelde ik al dat ik voor de klas wilde staan,” vertelt Oosterhagen. Nadat Oosterhagen de pabo had afgerond is hij meteen begonnen als meester voor de klas. Na vijf jaar had hij de mogelijkheid om naast het lesgeven ook directeur te worden van de basisschool. “Na zestien jaar deels les te geven en directeur zijn wilde ik iets  anders. Ik was toen 40,” geeft Oosterhagen aan. “Omdat ik het gevoel van voor de klas te staan, erg zou gaan missen, heb ik besloten om een stap te maken naar het middelbare onderwijs”, aldus Oosterhagen.  

“Iemand iets leren, dat was het begin. Maar wat ik vooral mooi vind is dat je een stukje bent in de schakel van de ontwikkeling van leerlingen,” aldus Oosterhagen. Vroeger vond ik school ook niet zo leuk. Dat herken ik heel erg bij de leerlingen op de middelbare school. Ik begrijp dat. ‘Wie ben je nou?’ ‘Wat kan je betekenen in de maatschappij?’ ‘Wat zijn je kwaliteiten en capaciteiten?’ Omdat ik docent maatschappij en levensbeschouwing ben, zijn dat vraagstukken waar ik het met mijn leerlingen over kan hebben. Daarnaast ben ik decaan. Daar ga ik met de toekomst van de leerlingen aan de slag. Die combinatie maakt dat ik blij ben met het vak dat ik gekozen heb,” Oosterhagen. 

“Ja, grotendeels wel. Wat ik wel merk, en dat is misschien als je wat langer in het onderwijs zit, dat de dingen er omheen je soms opbreken. Je krijgt zeg maar 65% van de tijd om je lessen te geven en 45% daar omheen. Maar in de praktijk is het 45% lesgeven en 65% dingen er omheen. Dat maakt dit vak voor mensen wat minder aantrekkelijk. Dat is zo zonde. Want het is en blijft een prachtig vak.” Afgelopen jaar is een daling geweest van het aantal docenten in het onderwijs. Zo blijkt uit onderzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat merkt Oosterhagen ook op: “Er is zeker een leegloop van docenten. Niet alleen in letterlijke zin maar ook in de energie.” Zelf heeft Oosterhagen daar geen moeite mee. “Ik werk bewust maar parttime voor de klas. Doordat ik afwissel is het voor mij goed te doen,” aldus Oosterhagen. 

“Het systeem is gebouwd op wantrouwen. Je moet steeds verantwoorden wat je doet. Dat is de maatschappij. Dus moet je het vastleggen als bewijs naar de directie, andere docenten en ouders. Alles moet getoetst worden. De aanpak in het onderwijs moet anders,” vindt Oosterhagen. 

“Ik denk dat een andere aanpak meer geld gaat kosten. Maar om nou te zeggen: “Hier heb je een pot geld voor het salaris, daar geloof ik niet zo in.” Misschien dat daardoor mensen langer in het onderwijs blijven. Daar komt bij dat het zeker aantrekkelijker zal zijn voor mensen die net gaan starten in het onderwijs. Er zijn te veel collega’s die het niet leuk vinden. Dan heeft het geld geen zin. Het is te zwaar. Te veel. Mensen werken over.” Oosterhagen heeft zelf niet gestaakt. “Ik heb niet het idee dat daar de oplossing ligt. De overheid is niet de oplossing. Het onderwijs moet zelf sterker opkomen voor de rechten en mogelijkheden. Zij moeten laten zien hoe het ook kan. Overtuig daarin de overheid en de inspectie. Natuurlijk zal er dan geld nodig zijn, maar dat is stap twee.“

“Vooral in het lager onderwijs is het verschil heel erg groot. Daar zijn weinig groei- en ontwikkelmogelijkheden. Datzelfde zie je ook in de zorg. Het is niet aantrekkelijk. Ik denk dat daarom minder mannen voor dit vak kiezen.” Ook op het hoger onderwijs daalt het aantal mannelijke docenten, merkt Oosterhagen op. “Toch proberen wij als school het zo gelijk mogelijk te houden. Maar vinden wij het niveau het belangrijkst. Daar staan wij als school voor,” aldus Oosterhagen.