Willem van ’t Spijker is 35 jaar predikant geweest en heeft in Apeldoorn theologie gestudeerd. Na zijn studie is hij predikant geworden in Heerenveen waar hij 6,5 jaar heeft gestaan. Vervolgens verhuisde van ’t Spijker naar Oost-Groningen, Stadskanaal. In de tijd dat van ’t Spijker in Stadskanaal predikant was, kwam hij in het bestuur van de zendingsorganisatie van zijn kerk en dat heeft wat in hem losgemaakt. Toen van ’t Spijker zes jaar in Stadskanaal werkte, heeft hij een verzoek vanuit de zendingsorganisatie, om opbouw predikant te worden, gekregen waarna hij is uitgezonden naar Zuid-Afrika. Daar was van ’t Spijker predikant in een zwarte woongemeente en zwarte kerkgemeenschap. Daar heeft hij met zijn gezin 6.5 jaar gewoond en daarna zijn ze weer teruggekeerd naar Nederland. Van ’t Spijker is als predikant nog een jaar heen en weer gevolgen als coach voor de kerken daar in Zuid-Afrika. Daarna is hij dertien jaar predikant geweest in Hilversum en sinds vorig jaar is hij in Veenendaal benoemd tot predikant in algemene dienst om leiding te geven aan de zendingsorganisatie.

“Ik wist al vanaf mijn middelbare schooltijd dat ik predikant wilde worden. Ik ben opgegroeid in een pastorie. Mijn vader was predikant dus ik wist wel al het een en ander ervan af. Ik heb al heel snel die richting uitgedacht, en aan het einde van mijn middelbare schooltijd dacht ik: wil ik dit echt zelf of is er misschien een groter plan of roeping? Daar heb ik bevestigend op geantwoord, en die bevestiging werd ook getoetst. Want om tot de opleiding tot predikant toegelaten te worden, moet je een verhaal vertellen waarom je denkt dat jij predikant moet worden. Blijkbaar is dat verhaal overtuigend geweest want ik werd toegelaten. Dat was ook wel handig, want er was nog dienstplicht in die tijd, en ik was opgeroepen en gekeurd om in dienst te gaan. In juli zou ik in dienst moeten en in juni kreeg ik te horen dat ik toegelaten was tot de predikantsopleiding, dus kreeg ik vrijstelling van mijn dienstplicht. 

Mijn verwachtingen van het predikantschap zijn wel en ook weer niet uitgekomen. Ik had natuurlijk gezien hoe het was toen mijn vader predikant was, maar er is in die 35 jaar dat ik predikant ben wel heel erg veel veranderd. Het kerkelijk leven is ook totaal veranderd. In de beginjaren keken mensen tegen je op. Dat is nu gelukkig voorbij, je moet nu gewoon je best doen en een goed product leveren. Ik doe nu veel meer samen met andere mensen. In het begin van de tijd dat ik predikant was, lag de focus vooral op de groep die zondag voor je zat en die je dan doordeweeks bezocht en waar je jongeren begeleidde in hun vorming. In de loop der tijd is de focus ook veel meer naar buiten gekomen.

Vrouwen in het ambt 

Het is een vast gegeven dat er geen vrouwen in het ambt zitten van de Christelijke Gereformeerde kerken. Er is wel discussie over geweest. Zo is er in 1995 een studiecommissie ingesteld die onderzoek heeft gedaan naar de vraag of dat nog zo gehandhaafd moest worden. In 1998, 3 jaar later, had die commissie een rapport klaar. De commissie kwam met twee rapporten, een deel van de commissie zei: ‘het zou nu kunnen’. Maar het grootste deel vond van niet en vond dat het moest blijven zoals het was. Dat standpunt is aangenomen door de kerkelijke vergadering. Dus vanaf dat moment is het nog steeds beleid dat vrouwen geen predikant kunnen worden. 

Persoonlijk kan ik me goed vinden in het standpunt van de minderheid. Ik vind ik dat vrouwelijke predikanten wel kunnen en dat daar ruimte voor is. Ik lees in de Bijbel dat vrouwen ook in de tijd van het nieuwe testament een bepaalde rol hebben gespeeld. Op dit punt ben ik progressiever dan de kerk zelf. De kerk zit namelijk rechts van het midden en is orthodoxer.

Een aantal van de argumenten die worden gebruikt om vrouwen niet toe te laten tot het ambt, is dat wanneer de Heer Jezus de apostelen kiest hij dan twaalf mannen kiest en geen vrouwen. Ook heeft Paulus in de brieven aan de Korintiërs en Timoteüs gezegd dat vrouwen niet moeten leren en dat ze moeten zwijgen in de gemeente. Dat zijn uitspraken die dat letterlijk zo zeggen. Ik zelf denk dat als je die uitspraken in context van het geheel van de brieven en het nieuwe testament leest, je zou kunnen komen tot een andere keuze, maar onze kerken doen dat tot nu toe niet.

Ik begrijp wel dat mensen de Bijbel naleven. Ik zal ook niet alles er aan doen om de vrouwenfunctie te veranderen, maar ik zal het ook niet verdedigen. Dat de Bijbel een oud boek is, is waar. Maar ik denk niet dat het daarom een boek is wat minder te zeggen heeft. Maar je kunt niet zomaar uitspraken geïsoleerd uit hun context halen, dat moet je in zijn geheel lezen. En als je dat doet, ontdek je dat het heel goed mogelijk is om ruimte te geven aan vrouwen in de kerk. 

Vrouwen mogen wel andere dingen doen in en rondom de kerk. In 1998 werd wel een andere studiecommissie ingesteld, met als opdracht: ‘als je kijkt naar hoe de bijbel vrouwen een plek geeft, buiten het ambt weliswaar, hoe moeten we daar dan rekenschap van geven’. Drie jaar later lag er een rapport, wat ook aanvaard is, wat vrouwen ruimte gaf om te functioneren in de kerk. Bijvoorbeeld in het jeugdwerk, onderwijs aan jonge mensen en in het pastorale omzien naar elkaar  kunnen ze enorme taken en verantwoordelijkheden dragen. Zo zocht ik iemand op in het ziekenhuis die vroeg of ik mijn vrouw meenam, anders was zij minder op haar gemak.

In Hilversum zijn we ook vrij snel begonnen, na 2001, met vrouwen inschakelen in omzien naar elkaar en pastorale contacten. Maar ik denk dat als wij vrouwen toelaten in het ambt er een kerkelijke groei zou kunnen zijn en dat andere mensen het fijn zouden kunnen vinden om eens het vrouwelijke perspectief op de Bijbel te horen. Maar het meer behoudende deel van de kerk denkt juist dat het zorgt voor een kerkelijk verlies. Ik weet niet of het ooit zal veranderen, maar ik hoop van wel. Ik bezoek ook kerkdiensten waar wel vrouwen voorgaan. Dat zijn Protestantse, Lutherse of Nederlands Gereformeerde kerken en dan blijkt gewoon dat het lezen van de Bijbel vanuit een vrouwelijk perspectief dingen laat zien waar ik zelf nooit was opgekomen. 

Een paar jaar geleden hield een vrouw uit de beroepingscommissie bij een plechtigheid een verhaal. Het verhaal was zo fris, ze belichtte het hele gebeuren vanuit een vrouwelijk perspectief. Ik zat naast mijn zus, die ook theologie heeft gestudeerd maar geen predikant is geworden, en zei: ‘heb jij nou ook dat je denkt van: dit is zo anders, dit zou je nooit gehoord hebben als een man zou spreken?’ ‘Ja’, zei ze. ‘Maar we doen onszelf dan ook vreselijk tekort.’ En niet iedereen zal het daarmee eens zijn, maar ook ik vind dat we onszelf tekort doen.

Ik hoop dat we het als kerk voor elkaar krijgen om meer naar buiten gericht te worden. Dat we ontdekken dat de kerk wat te bieden heeft en dat we daar ook blij van worden en zelfbewust van zijn. Niet om anderen te wijzen op dingen, maar om een positieve bijdrage te leveren. Dan kunnen we in de huidige maatschappij van betekenis zijn. “