HILVERSUM – De zon breekt eindelijk door. Eindelijk. Langzaam stroomt het schoolplein vol met ouders. Een schoolplein dat tussen de huizen verstopt ligt. De kinderen kijken naar buiten, zien hun ouders staan en smachten naar het einde van de schooldag. Een schooldag die op de protestants-christelijke basisschool Wilhelminaschool lang geleden begon met een gebed. Ondanks de afnemende aanhang voor het geloof staat dit schoolplein aardig vol. Kiezen ouders dan nog wel de school van hun kind op basis van religie?

Vanaf 1994 is het aantal christenen in Nederland flink teruggelopen. In statistieken van het CBS is te zien dat 22 jaar geleden 53 procent van Nederland zichzelf nog christelijk vond, maar in 2014 was dit percentage nog maar 40 procent. In Hilversum liggen die cijfers nog lager. Slechts een kwart van de mensen is christelijk. Desondanks zijn 16 van de 41 basis- en middelbare scholen in Hilversum christelijk. De kans om ongelovige ouders en leerlingen te treffen op schoolpleinen wordt dus steeds groter.

Een moeder op het schoolplein van de Wilhelminaschool bevestigt eigenlijk meteen die trend. Ze staat met haar fiets aan de rand van het schoolplein. Op de vraag of ze zelf gelovig is, zegt ze het volgende: “Ik ben niet gelovig, nee. Mijn man en zijn ouders trouwens wel, maar dat is ook helemaal niet de reden dat onze dochter hier op school zit.” Heeft dat dan misschien te maken met de afstand naar school? “Nee. Ook de afstand naar de school vanaf ons huis is niet de reden. Het is vrij simpel: deze school staat hier gewoon goed bekend en dat het dan een christelijke school is, maakt niet uit. Daarbij krijgt onze dochter hiermee wel de kans om te zien wat het geloof inhoudt. Later kan ze dan altijd nog haar eigen keuze maken. Als ze bij mijn schoonouders is, die dus wel gelovig zijn, doet ze natuurlijk wel gewoon mee met alles rondom het geloof. Ik vind het dan ook altijd heel apart als ik hoor dat er kinderen met een ander geloof naar een christelijke school gaan en dan nooit mee doen met dingen die de school juist het predicaat ‘christelijk’ geeft.”

Een man verderop kijkt op zijn mobiel. Arno heet hij. Hij wacht op de bel die het einde van de schooldag betekent. Nog één van zijn drie kinderen zit hier op school. Wat voor hem en zijn vrouw de belangrijkste reden was om hun kinderen hier naar school te laten gaan? Niet het geloof. Of zoals Arno het zelf redelijk cryptisch verwoord: “Ik geloof wel in iets, maar ik geloof niet in het fenomeen ‘kerk’. Dus het is niet zo dat ons kind per se naar een christelijke school moest, maar het kan daarbij ook helemaal geen kwaad.” In tegenstelling tot de eerder gesproken moeder was de ligging van de school wel heel erg belangrijk: “De locatie is gewoon de belangrijkste reden. Daarom hebben mijn vrouw en ik voor deze school gekozen. Meer niet.”

Merken de ouders dan zelf een verandering om hen heen bij de andere ouders? Merken zij bij andere ouders dat zij ook steeds vaker ongelovig zijn? Arno: “Ik ken niet alle ouders en ik weet ook absoluut niet van allemaal of ze gelovig of niet zijn, maar er zijn hier ongetwijfeld een hoop ouders die helemaal niks met het geloof hebben en hun kinderen hier, net als ik, om praktische redenen naar school gestuurd hebben. ”

De moeder weet het ook niet helemaal zeker: “Ik heb niet het idee dat alle ouders hier christelijk zijn. Als ik met ze praat, is het niet overduidelijk te merken namelijk. Echt zeker weten doe ik het niet, maar ik gok toch dat het percentage gelovige ouders op ongeveer vijftig procent ligt. De ongelovige ouders willen waarschijnlijk gewoon, net als ik, hun kind een eerlijke eigen keuze geven en het maakt daarbij niet uit of ze zelf gelovig zijn.”